Ile d’Oleron of leven op het ritme van de zee

Eerlijk, zelfs al hadden ze er nog nooit van oesters gehoord, dan nog bleef Ile d’Oléron een absolute aanrader. Niet per se picture perfect, niet afgelikt mooi, maar wel heerlijk zijn authentieke zelf. En dat ze er toevallig zo’n 20.000 ton oesters per jaar kweken, is mooi meegenomen….

Fotografie: www.heikki.be

Niet elke eerste indruk is perse de juiste, leren we in Fort Royer. Het is begin mei, de zon gunt ons 30 graden en we worden omringd door fotogenieke oestercabannes, in alle mogelijk afbladerstadia, met aan de horizon een strak strand. Het einde van de wereld mét oesters in overvloed. Of de perfecte idylle. We willen instant ruilen en opteren voor dit offline bestaan in een van deze pastelhutten zonder elektriciteit. Back to basics, maar wel instagramwaardig. Een rondleiding later, komen we schoorvoetend op onze plannen terug en laten we het thuisfront weten dat de verhuis toch niet doorgaat. Het leven van een oesterkweker, les paysans de la mer, blijkt niet voor watjes. En ook wie een oesterkweker aan de haak sloeg, mag serieus de handen uit de mouwen steken. Ile d’Oléron mag dan bijzonder relax ogen, het getij bepaalt het ritme van het eiland en dat behoorlijk dwingend, jaar na jaar, dag na dag. Even op pauze drukken, is geen optie. Niet dat de eilanders klagen, dit is wat ze kennen en ze doen naarstig voort want eb noch vloed wachten. Bovendien neemt zo’n oester ook zijn tijd en laat hij zich niet haasten door wat menselijk ongeduld of zich in een handiger kweekstramien duwen. Het hele procédé, van baby tot volwassen oester, is dan ook goed voor 3 à 4 jaar intense arbeidsvreugde. Een verhaal van vallen en opstaan, slechts de helft van de oesters zal uiteindelijk de eindmeet halen, dat begint wanneer de babyoesters zich stevig aan de ‘collecteurs’, een reeks plastic schijven, hechten. Eens groot genoeg worden ze terug opgevist.

Vroeger mochten de vrouwen in hun cabanne dan de schelpenboel loskloppen en sorteren, dezer dagen doet een trilmachine het nodige, maar sorteren gebeurt nog altijd met de hand. Daarna belanden de oesters in grofmazige zakken, de grote bij de grote, de kleintjes bij de kleintjes, en worden ze terug in zee gelegd, plat op stalen tafels. Kwestie van niet met slijk overspoeld te worden en te verdwijnen in de modderachtige bodem. Ze voeden zich door het zeewater te filteren op eetbare micro-organismen. En terwijl ze dat gezapig doen, breekt de oesterkweker zich geregeld het hoofd. Niet alleen moeten de ‘poches’ elke golf trotseren, bovendien worden de zakken zowat maandelijks aan land gebracht om hun inhoud te checken. Kapotte en dode exemplaren vliegen er uit en de oesters worden opnieuw gesorteerd tot ze in een zak belanden op maat van hun taille. De oesterkweker kan enkel bij laag tij aan de slag in zijn oesterveld, dus moet hij eb en vloed en de bijhorende coëfficiënt, de snelheid waarmee het water zakt of stijgt, voortdurend in de gaten houden. Als de oesters moeten aansterken, komen ze onder water te staan. Hebben ze al genoeg volume, dan mag het iets minder zijn en is eb en vloed hun lot. Elk oesterveld heeft zo zijn eigen functie en getijdentabel. In het ene veld groeien ze, in het andere winnen ze aan vlezigheid. Of een complete huishouding die ook nog eens voortdurend verhuisd wordt. Dus trekt elke kweker elke dag plichtsbewust in zee, te voet of met zijn platboot, om zijn oesters te keuren en de zakken stevig op te schudden, kwestie van met elegante, ronde exemplaren te eindigen.

Zijn de oesters volgroeid, dan kunnen ze zo verkocht worden of upgegrade worden naar een nog exclusiever niveau. Tijd dan voor de laatste fase: 30 dagen affinage, uniek in deze kontreien. De oesters komen dan op smaak in ‘claires’, oesterputten uitgegraven in zoutpannen van weleer die via een kanalennetwerk in verbinding staan met de zee. Een vijfsterren thalasso, geen golven, geen stroom, geen roofdieren die op hen azen,wel  puur geluk waardoor de oesters zich blijgemutst de hele dag volproppen en dankzij de mix van het zoete water met het ziltige zeewater hun unieke, bijzondere smaak krijgen. Een bijzondere alg, de navicule bleu, bezorgt hen een terroirinjectie en de groene kleur die deze exclusieve oester kenmerkt. Goed genoeg voor het Label Rouge, het Franse kwaliteitslabel, en een stevige export over de hele wereld. Want de oesterkwekers van Fort Royer mogen dan vooral plaatselijk verkopen, voor andere kwekers is the sky the limit. De Nederlander Nick Werkhoven die samen met zijn vrouw en vakantieliefde de oesterkwekerij van zijn schoonouders overnam, Huitres Fonteneau, levert bijvoorbeeld ook in China en Rusland. Op maandagochtend ingepakt en op woensdagmiddag op tafel in Peking. Smaken hoeven immers niet altijd te verschillen.

Het oestergebeuren mag Oléron dan wel zijn authentieke look geschonken hebben, met oesterbedden die alleen bij laagtij komen piepen, en het eiland op de culinaire kaart gezet hebben, toch moet je niet perse een foodie zijn om hier intens te genieten. In La Ferme de Sidonie, ons allercharmantste logeeradres, leeft de broer des huizes net zo goed op het ritme van eb en vloed, kwestie van surfgewijs de perfecte golf te vangen. ‘Quand il y a des vagues, il est parti.’ Ja, er wordt bij momenten stevig gewerkt, maar net zo goed intens genoten en zalig gelanterfant. Al was het maar omdat je hier van mei tot oktober kunt zwemmen in zee. En de stranden mogen dan in het hoogseizoen drukbevolkt zijn, de rest van het jaar strekt er zich een heerlijke eenzaamheid voor je uit. Van Les Huttes over Saint-Denis tot La Plage de Plaissance. Stranden in overvloed dus kies je dat exemplaar dat best bij je past. En wat het ook wordt, het lijkt alsof La Luminieuse, het koosnaampje voor Ile d’Oléron, hier nog net wat meer licht vangt. En wanneer je weet dat Oléron zijn eigen wijnen, cognac, bier en frisdrank heeft en dat in havengehucht La Cotinière, de 6de haven van Frankrijk, maar liefst 90 verschillende vissoorten aangemeerd worden, dan begrijp je waarom de eilanders het continent liever links laten liggen. Zelfs het naburige Ile de Ré, na 224 treden te bewonderen van op de Phare de Chassiron moet hier niet op al te veel sympathie rekenen. ‘Nous sommes moins carte postale, mais plus authentique’, weten ze hier. En gelijk hebben ze.

Ile d’Oléron praktisch

Wij logeerden in La Ferme de Sidonie, een fijne, mooie gerenoveerde b&b waar je elke morgen op een fantastisch verwenontbijt getrakteerd wordt (vanaf € 70 voor een tweepersoonskamer, sidoniebnb.io17.fr)

Wie meer wil weten over oesters kweken, kan terecht in Fort Royer voor diverse rondleidingen (fort-royer-oleron.fr). Oesters degusteren of kopen kan ter plekke, bij Huitres Fonteneau (www.huitres-fonteneau.fr) of bij een van de vele andere oesterkwekers.

Heb je tijd, huur dan een fiets om het eiland te verkennen. Een netwerk doorkruist Oléron en neemt je mee naar de belangrijkste plekken. Van de Phare de Chassiron over La Cotinière tot de citadel. Vlakbij de citadel vind je oude oestercabannes die omgebouwd werden tot leuke artisan shops, les Cabanes de la Baudissière. Goed voor zowel ukeleles als retro badpakken.

Meer weten? www.ile-oleron-marennes.com

Verschenen in Nest, 2018

- overzicht
Facebook Twitter Google+ Pinterest LinkedIn